9. Spelregels: alle spelers

Spelers worden geacht zich steeds beheerst en sportief te gedragen.

9.1
Spelers die in het veld zijn moeten hun stick in de hand hebben; zij mogen hun stick in het spel niet op een gevaarlijke, bedreigende of intimiderende manier gebruiken.

9.2
Spelers mogen tegenspelers niet hinderen of in hun spel belemmeren door hen of hun sticks of kleding vast te pakken of aan te raken.

9.3
Spelers mogen een andere speler niet intimideren of het spelen verhinderen.

9.4
Spelers mogen de bal niet slaan.
Het spelen van de bal met een “slapshot” of een “flats” (een langer durende schuif- of veegbeweging met de stick voor die in contact komt met de bal) wordt aangemerkt als een slag en is daarom niet toegestaan.

9.5
Spelers mogen de bal niet met de achterkant van hun stick (de bolle kant) spelen.

9.6
Spelers mogen de bal met geen enkel deel van de stick spelen wanneer de bal boven schouderhoogte is, maar verdedigers mogen een schot op doel met hun stick op elke gewenste hoogte stoppen of laten afkaatsen.
Een verdediger die een schot op doel tegenhoudt moet niet bestraft worden indien hij zijn stick niet geheel stil houdt of deze naar de bal beweegt in een poging de bal te stoppen of te laten afkaatsen. Alleen wanneer hij de bal daadwerkelijk weg slaat en hiermee een doelpunt voorkomt, moet een strafbal worden toegekend. Een poging van een verdediger om een hoog schot op doel te stoppen of van richting te veranderen, terwijl dit in werkelijkheid kennelijk “naast of over” zal gaan, moet worden bestraft met een strafcorner en niet met een strafbal. Bij gevaarlijk spel voortkomend uit een geoorloofde stoppoging moet ook een strafcorner worden toegekend.

9.7
Spelers mogen de bal niet spelen op een wijze die gevaarlijk, bedreigend of intimiderend is of tot gevaarlijk spel kan leiden.
Een bal wordt in ieder geval als gevaarlijk beschouwd wanneer deze leidt tot een terechte ontwijkende reactie van andere spelers. De straf wordt opgelegd op de plaats waar het gevaarlijk spel ontstond.

9.8
Spelers mogen de bal niet van de grond omhoog spelen, behalve bij een schot op doel.
Het is geen overtreding als de bal zonder opzet minder dan 100 mm van de grond komt, tenzij de tegenstander hierdoor de bal niet rechtmatig kan spelen of een actie kan inzetten (tackle).

9.9
Spelers mogen de bal niet spelen wanneer deze in de lucht is, maar spelers van het team dat de bal niet omhoog bracht, mogen de bal wel stoppen.
Indien de bal na een hoog schot op doel afstuit van de doelverdediger, de doelpaal of de doellat mag ook een verdediger de bal stoppen.

9.10
Veldspelers mogen de bal niet stoppen, schoppen, oppakken, met zich meedragen, gooien of voortbewegen met welk deel van het lichaam dan ook.
Het is niet altijd een overtreding wanneer de bal tegen voet, hand of lichaam van een veldspeler aankomt. De speler begaat alleen een overtreding wanneer hij de bal vrijwillig met zijn hand, voet of lichaam speelt of wanneer hij zich opstelt met de intentie de bal op deze wijze te stoppen. Er is geen sprake van een overtreding wanneer de bal de hand raakt die de stick vasthoudt als hij anders de stick geraakt zou hebben.

9.11
Spelers mogen de bal niet spelen als zij liggen of met een knie, arm of hand (anders dan de hand die de stick vasthoudt) de grond aanraken.

9.12
Spelers mogen een tegenstander die probeert de bal te spelen, niet blokkeren of het pad naar de bal versperren (afhouden). 
Spelers houden af wanneer zij:
- hun lichaam gebruiken om zich daarmee ruimte te verschaffen
- lichaam of stick van een tegenstander hinderen
- de bal met hun stick of met enig deel van hun lichaam afschermen tegen een geoorloofde tackle.

Een speler die de bal ontvangt, mag in iedere richtinggedraaid zijn. Een speler die balbezit heeft, mag zich met de bal in alle richtingen verplaatsen, mits hij niet tegen een tegenstander oploopt. Een speler die voor een tegenstander langs loopt of hem blokkeert en hem daardoor belemmert om de bal te (gaan) spelen, houdt af (indirect afhouden of shadow obstruction).
Dit geldt ook als bij een strafcorner een aanvaller voor verdedigers (inclusief de doelverdediger) langs loopt of hen blokkeert of hindert.

9.13
Spelers mogen niet proberen een tegenstander de bal te ontnemen (tackle) als zij de bal niet kunnen spelen zonder lichaamscontact.

9.14
Spelers mogen niet opzettelijk in het doel dat hun tegenstanders verdedigen komen, of opzettelijk achter een doel langslopen.

9.15
Spelers mogen hun tegenstanders geen onbedoelde overtredingen opdringen (uitlokken van overtredingen).
Duidelijk en opzettelijk de bal tegen enig lichaamsdeel van een veldspeler van de tegenpartij aanspelen moet als uitlokken worden bestraft. Opdringen van afhouden (vaak uitgevoerd door tegen een tegenstander aan te lopen of demonstratief met de stick te zwaaien) dient ook te worden bestraft.

9.16
Spelers mogen hun stick niet ruilen tussen toekennen en voltooien van een strafcorner of een strafbal, tenzij deze stick niet meer aan de specificaties voldoet.

9.17
Spelers mogen geen voorwerpen of uitrustingsstukken op het veld, naar de bal of naar een speler, scheidsrechter of andere persoon gooien.

9.18
Spelers mogen het spel niet vertragen om daardoor voordeel te behalen (tijdrekken).

Nieuws

Met ingang van het nieuwe jaar hebben alle teams nieuwe shirts gekregen.


De voorcompetitie zit erop en de plaatsen voor IDC zijn verdeeld.



groter formaat